Negen op de tien reformatorische jongeren gebruiken AI, bijna de helft zelfs dagelijks. Ze leren het van klasgenoten, niet van hun leraar of ouders. En slechts een op de vijf controleert of de uitkomsten passen bij hun geloof.
Het is een geruststellende gedachte: de poorten dichthouden voor kunstmatige intelligentie, en zo de reformatorische leefwereld beschermen. Maar dat is een mythe die niet houdbaar is. Een groot vragenlijstonderzoek dat Driestar educatief uitvoerde onder 1336 christelijk-reformatorische jongeren tussen 9 en 25 jaar laat zien dat AI volledig verweven is met hun dagelijks leven. Het is, voor zover bekend, het eerste empirische onderzoek naar AI-gebruik binnen onze eigen achterban. En het levert cijfers op die zowel kansen als zorgen blootleggen.
De cijfers: AI in de reformatorische praktijk
Van alle ondervraagde jongeren gebruikt 93% wel eens AI. Onder basisschoolleerlingen ligt dat op 78%, in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs op 97,5%. Bij studenten op 96%. Ter vergelijking: eerder Nederlands onderzoek vond percentages tussen de 30% en 90%. Reformatorische jongeren zitten dus aan de bovenkant.
Het gaat bovendien niet om incidenteel gebruik. Van de AI-gebruikers zegt 45% dagelijks AI in te zetten en 35% wekelijks. Onder leerlingen uit havo en vwo 5-6 gebruikt zelfs 54% dagelijks een AI-tool. Eerder onderzoek kwam uit op 20% tot 35% dagelijks gebruik. Iets in onze achterban zorgt dus voor intensiever gebruik dan elders, al geeft het onderzoek daar geen sluitend antwoord op.
De meest gebruikte tool is met afstand ChatGPT (96,5% van de AI-gebruikers), gevolgd door Copilot (49%) en AI in sociale media en games (46%).
Wie zijn denkproces uitbesteedt aan een taalmodel, oefent zelf minder in het worstelen met een lege bladzijde
Waarvoor openen ze de chatbot?
Voor schoolwerk wordt AI het meest ingezet om uitleg of informatie te krijgen (94%). Op de tweede plaats: ideeën bedenken voor een opdracht (88%). Op de derde plaats: een begin of opzet van een tekst laten maken (87%). Een complete tekst laten schrijven scoort 51%.
Dat patroon is interessant. Waar internationaal onderzoek vooral het samenvatten en het schrijven van hele teksten als meest voorkomende toepassingen noemt, gebruiken onze jongeren AI vooral in een eerdere fase van het werkproces: bij het bedenken en het starten. Dat klinkt onschuldiger, maar precies hier zit een pedagogisch vraagstuk. Wie zijn denkproces uitbesteedt aan een taalmodel, oefent zelf minder in het worstelen met een lege bladzijde. En juist dat worstelen vormt jongeren tot zelfstandige denkers.
In de vrije tijd wordt AI vooral gebruikt om iets op te zoeken (86%), als hulp bij plannen en vertalen (63%) en voor het maken van creatieve dingen als afbeeldingen of muziek (53%). De zoekfunctie van AI vervangt voor jongeren in toenemende mate Google. Praten met AI over gevoelens of geloofsvragen blijft beperkt: 12% respectievelijk 16% doet dit wel eens.
Geloofwaardig of klakkeloos aangenomen?
Hier ligt de pedagogische kern. Op de vraag wat jongeren doen om te controleren of AI-output klopt, geeft 68% aan: ‘Kijken of het logisch klinkt.’ Het opvragen van bronnen bij de tool zelf doet 48%, het verifiëren in een andere bron 45%. Bijna 19% controleert helemaal niets en gaat ervan uit dat AI klopt. Onder basisschoolleerlingen loopt dat op tot 39%.
Dat percentage daalt scherp met de leeftijd, maar bedenk: de meerderheid van élke leeftijdsgroep beoordeelt AI-output op het gevoel of het logisch klinkt. En precies dat maakt goede AI-output zo riskant. Een hallucinerende chatbot klinkt vrijwel altijd logisch. Daar zit zijn kracht én zijn risico.
Voor wie in het reformatorisch onderwijs werkt, springt één cijfer erboven uit: slechts 21% van de jongeren controleert wel eens of AI-output past bij geloof of waarden. Vier op de vijf doen dat dus niet. En dat terwijl zij dagelijks blootstaan aan output die getraind is op een overwegend seculier corpus. Hier ligt een directe opdracht voor onze scholen. Mediawijsheid alleen is niet genoeg. Wat onze leerlingen nodig hebben, is een Bijbels normenkader waarmee ze de informatiestroom kunnen wegen.
Onze jongeren leren AI nu van elkaar. Ze verdienen volwassenen die hen voorgaan
Zorgen genoeg, maar gebruik gaat door
Bijna de helft van de AI-gebruikende jongeren (47%) maakt zich wel eens zorgen over AI. Studenten het meest (77%), basisschoolleerlingen het minst (22%). De zes meest genoemde zorgen, in alle leeftijdscategorieën:
• Luiheid en verlies van denkvermogen en creativiteit;
• Privacy en dataveiligheid;
• Onbetrouwbare data en desinformatie;
• Baanonzekerheid;
• Te grote macht van AI over de mens;
• Schade aan milieu en klimaat.
Opvallend is dat de zorg om plagiaat of valsspelen, prominent in internationaal onderzoek, hier nauwelijks wordt genoemd. Maar zorgen weerhouden jongeren niet van gebruik. Zoals eerder onderzoek liet zien: zolang AI helpend voelt, blijven ze het inzetten.
Tussen regelgeving en radiostilte
Wie speelt er een rol in hoe jongeren AI leren gebruiken? Het antwoord is helder: vooral leeftijdsgenoten (63%) en zichzelf (54%). Ouders staan op de laatste plaats van de gerapporteerde kennisbronnen (12%), leraren op de voorlaatste (21%).
54% van de jongeren zegt dat hun ouders ‘eigenlijk niets’ doen met hun AI-gebruik. Bij studenten loopt dit op tot 74%. Wat doen wij als leraren? Vooral zelf AI gebruiken (51%) en regels stellen (42%). Slechts 33% geeft actieve tips en slechts 27% praat écht met de leerling over AI. Vooral in het basisonderwijs is sprake van pedagogische radiostilte: 48% van de po-leerlingen merkt dat hun leerkracht niets doet met hun AI-gebruik.
Dat raakt aan de kern. Onze jongeren krijgen dagelijks te maken met een technologie die hun denken, schrijven en informatieverwerving fundamenteel verandert. En de mensen die hen zouden moeten vormen tot wijze gebruikers, blijven in hun beleving grotendeels stil.
Vormen in plaats van verbieden
Een totaalverbod is geen optie, niet alleen omdat de feiten een verbod hebben ingehaald, maar ook omdat het voorbijgaat aan de kansen die AI biedt en uitsluitend schaduwgebruik in de hand werkt. Wat wél nodig is, zijn drie dingen.
• Toerusting vanuit een Bijbels normenkader. Help leerlingen zich bewust te worden van de seculiere aard van veel AI-output. Leer hun antwoorden niet alleen technisch te beoordelen, maar ook ethisch en principieel.
• Sterke controlestrategieën. Leer leerlingen bronnen op te vragen, te verifiëren in andere bronnen, en niet blind te varen op wat ‘logisch klinkt’. Begin daarmee in groep 7 en 8, waar het laissez-faire het grootst is.
• Het gesprek aangaan. Maak de zorgen van leerlingen bespreekbaar. Praat met hen over wat het volledig uitbesteden van denken en schrijven doet met hun eigen vorming. Leer hun prompts schrijven die hun creativiteit versterken in plaats van vervangen.
Aanstaande maandagmorgen staat u weer voor de klas. Vraag uw leerlingen eens welke AI-tool ze afgelopen week hebben gebruikt, en wat de antwoorden deden met hun wereldbeeld. De reformatorische school heeft geen ICT-politie nodig. Wat ze nodig heeft, is een pedagogische gids die voorgaat in een digitaliserende wereld. Onze jongeren leren AI nu van elkaar. Ze verdienen volwassenen die hen voorgaan.
Hoe kan dat?
Dit artikel is geschreven vanuit het lectoraat ‘Schoolvakken en didactiek vanuit christelijk perspectief’, dat staat o.l.v. dr. ir. P.M. (Piet) Murre.
Het gehele artikel is geschreven door AI, op basis van een uitgebreid rapport dat is vervaardigd door de onderzoekster, Denise de Waal, in het kader van haar masterstage. De volgende prompt is ingevoerd in de betaalde versie van Gemini, en de instructies zijn letterlijk opgevolgd: ‘Ik wil een artikel schrijven voor het onderwijsblad DRS, dat zich richt op reformatorische leraren in Nederland. Daarin wil ik de belangrijkste resultaten van een vragenlijst delen, en enkele conclusies trekken. Het artikel mag maximaal 8000 tekens zijn en moet uitnodigen tot lezen.’ Hetzelfde is gedaan in de betaalde versie van Claude, dat na vergelijking van beide halffabricaten bovenstaande gecombineerde versie heeft geschreven. Er is bewust niet geredigeerd.