• onderwijsvrijheid
  • onderwijsraad
  • artikel 23
Kees de Groot

Keuzevrijheid leidend voor 100-jarige hoeder van onderwijsvrijheid

de Onderwijsraad viert momenteel zijn eeuwfeest - zeven vragen over de jubilaris die cruciaal is geweest voor het reformatorisch onderwijs

Waarom is de Onderwijsraad opgericht?

De installatie van de raad op 23 juni 1919 door minister J.Th.J. de Visser van Onderwijs houdt direct verband met de Pacificatie in 1917, de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Het orgaan moest toezien op de vrijheid van onderwijs (vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet). Én een impuls geven aan de onderwijshervorming en -vernieuwing die tijdens de schoolstrijd jarenlang had stilgelegen.

Welke taken kreeg het instituut?

Twee: politici gevraagd en ongevraagd adviseren over onderwijsvraagstukken en wetgeving; en werkzaamheden verrichten die bij wet aan de raad zijn opgedragen. Zo moest de Onderwijsraad scheidsrechter zijn als de onderwijsinspectie en het bestuur van een bijzondere school het niet eens werden over de vraag of het schoolleerplan voldoet aan de wettelijke vereisten.

Als hoeder van artikel 23 let de raad erop of de onderwijsvrijheid niet door wetgeving wordt ingeperkt: de overheid moet zich terughoudend opstellen omdat scholen ruimte hebben hun onderwijs volgens eigen opvattingen in te richten. Bijzondere scholen mochten vroeger eigen kerndoelen vaststellen. Als de Onderwijsinspectie het niveau daarvan ondermaats achtte, moest de Onderwijsraad daarover een uitspraak doen. Tevens besliste de raad of humanisme (ja), duurzaamheid en boeddhisme (nee) als aparte richting konden worden erkend, om op die grondslag bijzondere scholen te kunnen oprichten.

Hoe ging het adviesorgaan te werk?

De verwachtingen waren in 1919 hooggespannen. ‘De raad kan een allergewichtigst instrument van volksontwikkeling worden’, schreef het lid J.H. Gunning. Menig uitvoerig rapport zag in de eerste jaren het licht. De geestdrift verdampte al snel toen bleek dat De Visser de raad soms passeerde of diens adviezen negeerde. Bijvoorbeeld omdat hij moest bezuinigen.

Binnen de raad ontstond bovendien onenigheid. De leden die vooral werk wilden maken van onderwijshervormingen verloren het pleit van hun collega’s die vooral de onderwijsvrijheid wilden bewaken. Het aantal vergaderingen en adviezen daalde fors. In de jaren zestig en tachtig daarentegen timmerde de raad weer flink aan de weg. Recent verschenen adviezen over bijvoorbeeld passend onderwijs, leraren, de leerling centraal, burgerschap, leesbevordering en curriculumvernieuwing. Speciaal wegens het jubileum verschijnt dit jaar een advies over de vraag hoe onderwijsvrijheid anno nu betekenisvol kan blijven.

‘De adviezen zijn net vergulde pillen: ze blijven bitter en daarom voor een bewindsman niet altijd gemakkelijk te slikken’

F.L.R. Sassen

Welke resultaten zijn er geboekt?

De Onderwijsraad heeft vele duizenden adviezen uitgebracht over alle onderwijsterreinen. Die waren aanvankelijk tamelijk concreet. Zo adviseerde de raad over de vraag of het een goed idee was om op een school Esperanto (een kunsttaal, KdG) te gaan geven. Later ging hij meer op hoofdlijnen adviseren en richtte de raad zich op een grondige bestudering van ontwikkelingen in het onderwijs. Daarbij toonde hij zich weinig ontvankelijk voor hypes.

‘De raad heeft niet de naam voorop te lopen bij vernieuwing’, constateerde minister Ritzen (Onderwijs) bij het 75-jarig bestaan van de Onderwijsraad in 1994. Hij prees vooral zijn waarde als ‘solide tegenwicht tegen de onstuimigheid van de onderwijspolitiek’.

De vrijheid van onderwijs is nog altijd richtinggevend voor de raad, al is de toonzetting op dit thema wegens de ontkerkelijking veranderd. Eerst stond de vrijheid van ouders centraal om eigen scholen te stichten. Nu is keuzevrijheid voor ouders en leerlingen leidend: kunnen zij een school kiezen die past bij hun overtuiging en zienswijze?

Hoe invloedrijk is de Onderwijsraad?

‘Onze rapporten zijn bijscholing voor politici’, aldus ex-voorzitter H. Maassen van den Brink. Haar voorganger F.L.R. Sassen vergeleek ze in 1964 met vergulde pillen: hoe fraai ze ook waren uitgevoerd, het waren pillen en zij bleven bitter en daarom voor een bewindsman niet altijd gemakkelijk te slikken. De verhouding met de minister was vaak moeizaam. De impact van de adviezen varieert sterk. Politici namen ze niet altijd dankbaar over, vooral niet als ze ingaan tegen het regeerakkoord of extra geld kosten.

De invloed van de raad nam na 1974 sterk toe. Sindsdien zijn diens adviezen openbaar en kunnen kabinet en Kamer ze niet zomaar negeren. Parlementariërs citeren er regelmatig uit tijdens debatten.

Decennialang heeft de Onderwijsraad grote betekenis gehad bij het bewaren van de vrede na beëindiging van de schoolstrijd. De Pacificatieproblematiek werd later opnieuw actueel met de komst van evangelische en islamitische scholen.

Wie zitten er in?

Onafhankelijke onderwijsdeskundigen, op persoonlijke titel benoemd door de Kroon: wetenschappers, bestuurders, schoolleiders, docenten. Zij combineren het raadslidmaatschap met hun baan. De eerste voorzitter was H. Bavinck, de huidige is E. Hooge (hoogleraar Onderwijsbestuur in Tilburg). De raad telt tien leden. Uit reformatorische kring zijn F.A. van der Duyn Schouten (Universiteit van Tilburg) en R. Toes (Wartburg College) lid geweest. De raad krijgt ondersteuning van een secretaris-directeur en een team van adviseurs.

Waarom was de raad cruciaal voor het reformatorisch onderwijs?

Dankzij een positief advies van de Onderwijsraad heeft staatssecretaris De Jong in 1979 het reformatorisch onderwijs erkend als zelfstandige richting. Eerst beschouwde hij dat onderwijs als subdenominatie binnen het protestantschristelijk onderwijs. Sindsdien heeft het rijk de stichting en/of instandhouding van vele tientallen reformatorische scholen bekostigd.

WAAKHOND IN BEELD

Zelf zien wat de Onderwijsraad deed en doet? Bezoek dan voor 3 juni de tentoonstelling “Wijze raad” in het Onderwijsmuseum te Dordrecht. Ruim twintig panelen schetsen in vogelvlucht de historie, positie en betekenis van het adviesorgaan, zijn bemoeienis met zaken als onderwijsvernieuwingen, burgerschapsvorming en leraren(opleidingen) en zijn taak als waakhond van artikel 23 van de Grondwet. In tekst, beeld en via enkele voorwerpen, zoals herinneringsborden, een akte van bekwaamheid en diverse media.

Meer informatie: www.onderwijsmuseum.nl/tentoonstelling/wijze-raad

Terug naar overzicht